Juryrapport Nelleke

De jury heeft een moeilijke klus geklaard. Uit een grote hoeveelheid gedichten,
geschreven zowel in het Nederlands als in het Duits, maar ook in het Nedersaksische
dialect heeft zij een weloverwogen keuze moeten maken, een keuze waarbij elke gedicht en elke dichter tot zijn recht moest komen. Afgezien van de talen was er ook een grote variëteit in onderwerpkeuze en vormgeving: van vormvaste gedichten, lyrische balladen en haiku’s tot experimentele gedichten en vrije verzen: de jury heeft ze voor deze wedstrijd allemaal onder ogen gekregen. En toch is het haar gelukt om unaniem te zijn in de keuze voor het uitendelijk winnende gedicht. Maar – het moet gezegd – het heeft tijd en intensieve beraadslagingen gekost.

Het winnende gedicht voldoet in alle opzichten aan de eisen die de jury in haar
beraadslagingen gesteld heeft aan een goed gedicht:
Het is stilistisch sterk en rijk aan zeggingskracht,
het is spannend van taal en ritme,
het is muzikaal, dat wil zeggen: het houdt in de keuze voor bepaalde woorden en klanken rekening met het wezen van de taal zelf en de muziek daarvan,
en – last but not least – het gedicht bezit een grote beeldenrijkdom.

Dat er verder geen enkele grammaticale fout in te ontdekken is, een gegeven waar veel van de ingestuurde gedichten toch in meer of mindere mate mank aan gingen, is een punt dat hier beslist ook vermeld dient te worden.

Het gedicht kent een licht anecdotische start, een start die bij poëzieliefhebbers misschien dichtregels van Rutger Kopland in herinnering roept. In de derde en laatste strofe blijkt de dichter al uit te komen bij een oeroud thema: dat van de liefde en het gevaar dat die liefde vroeg of laat altijd (weer) lijkt te lopen. Tenslotte volgt een poëtisch-filosofische overdenking van de eigen positie als dichter-woordvoerder (misschien beter: dichterwoordgever) van deze centrale problematiek.

De luisteraar of lezer van dit jury-rapport of degene die het gedicht (nog) niet, of slechts oppervlakkig, gelezen heeft, zou kunnen denken dat het gezien deze karakteristiek een wat traditioneel gedicht is. Ook het beeldgebruik zou een dergelijke associatie op kunnen roepen. De keuze evenwel van de dichter voor het vrije vers èn de kijk op de liefde zoals die met name in de slotstrofe naar voren komt, maar waar al in de twee voorgaande strofes door de dichter in zijn beeldkeuze trefzeker naar toe is gewerkt, zijn verrassend modern en helemaal van deze tijd. Het gedicht is met zijn drie strofes dan ook een hechte eenheid waarin langzaam maar onmiskenbaar toegewerkt wordt naar het slot waarin de persoonlijke geliefde plaats maakt voor de mythische geliefde, in feite voor het wezen van de liefde zelf. Dat de geliefde daarbij weer op de achtergrond treedt ten faveure van de dichter is misschien niet helemaal verwonderlijk. De liefde is al bij voorbaat gedoemd op een deficiet uit te lopen.

Het moge duidelijk zijn: Van dit gedicht blijven de lezer niet slechts een enkele strofe of een paar zinnen bij. Nee, het gedicht houdt de aandacht van de lezer van het begin tot de raadselachtige slotregels gevangen. De jury van de Euregio
Poëzieprijs is blij de prijs voor het winnende gedicht toe te mogen kennen aan DICK VAN WELZEN.. voor het gedicht ‘Ik zal je dromen’.